maandag 21 januari 2013

Inspiratie voor innovatie

Interview met Harry van Waveren
Voorzitter Kerkenraad Protestantse Gemeente Goes

Het groeiende besef dat een nieuwe koers uitgezet moet worden, is bepalend voor het bezinningsproces, dat in de Protestantse Gemeente in Goes (PGG) vanaf 2011 is opgestart. Aan dat proces geeft Harry van Waveren, samen met  de Commissie 2020, sturing en impulsen. Want: 'De huidige moeilijke situatie in onze gemeente is ook een kans om zicht te krijgen op datgene waar het om gaat in kerk en geloof,' zo staat vermeld in het inlegvel van de Commissie 2020 bij het kerkblad van de PGG, december 2012.

Beweging en ontwikkeling

Dat dit geen eenvoudige opgave is, blijkt wel meteen aan het begin van het gesprek als Harry aangeeft, dat het onder meer gaat om de vraag: 'Hoe creëer je meer ruimte voor beweging en ontwikkeling, als je tegelijk de last van het instituut moet dragen? Een tekort van 30% op de uitgaven is immers geen sinecure. Roosters voor kerkdiensten moet je intussen toch zien rond te krijgen. In het proces richting 2020 zetten we in op de ontwikkeling van drie kerken naar één kerk. Dat ene gebouw moet dan als thuisbasis gaan dienen. Dit is een proces, waarin we primair moeten leren om los te laten - de regelmaat, de gebouwen, de vertrouwde gezichten. We zijn in alle zorgvuldigheid op zoek naar een vorm om dit proces goed door te komen.'

De noodzaak van het los laten - hoe pijnlijk soms ook - wordt wel onderkend in de gemeente. 'Het verzet was groter,' zegt Harry, 'toen we tien jaar geleden in het proces van Samen op Weg zaten. Het besef "dat er wat  moet gebeuren", is nu duidelijk aanwezig bij de meeste gemeenteleden. Tegelijk heb ik het vermoeden, dat we het eindpunt van de marginalisering van de kerk in de hedendaagse samenleving nog niet hebben bereikt. Dat zie je niet alleen in bepaalde maatregelen van de huidige regering of in de discussie over "geloof achter de voordeur", maar ook in het beperkt rekening houden met kerkelijke activiteiten door sportclubs of culturele verenigingen.' In die zin is Harry van mening, dat de pijn om de marginale positie van geloof en kerk op dit moment groter is dan de eventuele vruchten die deze situatie oplevert. 'We zullen eerst moeten leren nog meer los te laten - dan pas ontstaat er ruimte om te kunnen profiteren van de vrijheden die een plaats in de marge verschaft.'

Dit alles leidt ook tot het inzicht, dat er een grotere flexibiliteit zou moeten komen in de kerkorde. Dat vergroot de beweeglijkheid van de kerkelijke organisatie. 'Zo zou je,' vindt Harry, 'nieuwe vrijwilligers moeten benaderen met het vooruitzicht van een minder lange binding aan hun taak. Die flexibele insteek levert betere kansen op voor het vervullen van de taken die gedaan moeten worden.' En mijn gesprekspartner stemt in als ik zeg, dat we ook moeten leren om taken te zoeken bij mensen in plaats van - wat we nu vaak doen - mensen bij taken. Daarnaast wordt in de PGG ook gezocht naar een soepeler organisatie door te werken met een 'kleine' en een 'brede' kerkenraad, de eerste bestaande uit 15 leden (met tien vergaderingen per jaar, mogelijk verminderd tot zeven), de tweede uit 40 leden (twee vergaderingen per jaar). Op deze manier kunnen meer mensen zich beter concentreren op hun eigenlijke taak.

In de marge

Als ik vraag of Harry kan instemmen met mijn waarneming, dat geloof en kerk in de marge van de samenleving staan, stelt hij vast: 'We willen als kerk wel iets betekenen voor de samenleving, maar de vraag is hoe we dat kunnen realiseren. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de diaconale taak van de kerk, dan merk je dat gemeenteleden tegenwoordig gemakkelijker te engageren zijn voor de nood dichtbij (Voedselbank) dan voor het gebrek verder weg (honger in Sudan). Bovendien moeten we ons realiseren, dat misschien wel de positie van geloof en kerk marginaal geworden is, maar niet wat je als kerk wil doen. Daadwerkelijk dienstbetoon hoort immers tot de kern van de evangelische opdracht. En dat betekent weer, dat je ook scherp moet kijken naar hoe de samenleving vandaag in elkaar steekt.'

Hierbij maakt de Commissie 2020 gebruik van een onderzoek van Bureau Motivaction naar verschillende 'culturele mentaliteiten'. Het onderzoek wijst onder meer uit, dat de kerkelijke traditie veel nadruk legt op het collectieve, terwijl voor de meerderheid van de Nederlanders de eigen realiteit en die van de nabije ander centraal staan. Een andere conclusie uit het onderzoek is, dat in kerkelijke kringen de geschreven taal veel aandacht krijgt, terwijl de meerderheid van de Nederlanders zichzelf vooral terug vindt in een beeldcultuur. Je zou kunnen zeggen, dat er een zekere mismatch van waarden te constateren is tussen waar de kerken voor staan en wat Nederlanders doorgaans belangrijk vinden. Daarmee bevestigt het onderzoek in essentie ook de marginale positie van kerk en geloof.

De kerkenraadsvoorzitter wijst mij erop, dat de marginale positie van geloof en kerk niet uitsluitend als kansrijk gezien moet worden, maar ook een valkuil kan opleveren. 'Zo is bijvoorbeeld het celibaat steeds moeilijker uit te leggen aan mensen van vandaag. De samenleving oordeelt daar "harder" over dan in het verleden. Je moet dus ervan uitgaan, dat het volharden in een dogmatische opvatting - hoe essentieel misschien ook - ertoe kan leiden, dat je kansen om aansluiting te vinden bij de hedendaagse mens kleiner worden.' De kerk zou daarom niet zozeer een dogmatisch, maar eerder een profetisch standpunt moeten innemen, wil de positie in de marge tot betere mogelijkheden leiden voor geloof en kerk.

Verbondenheid in fragmenten

Mijn vermoeden dat de verbondenheid tussen mensen zich voornamelijk in fragmenten manifesteert, wordt door Harry volmondig onderschreven. 'Een leuk voorbeeld,' vertelt hij, 'is het verhaal van een van onze predikanten, Eeuwout van der Linden. In het kader van het proces op weg naar 2020 zou ieder van de predikanten een interview houden met een gemeentelid. Eeuwout koos daarvoor een deelnemer aan de pelgrimsreis naar Taizé uit, afgelopen zomer. Tijdens het gesprek schoven er steeds meer pelgrims aan, waardoor het uiteindelijk een groepsinterview werd. Op dat moment werd een hele sterke verbondenheid ervaren.'

Zulke momenten van verbondenheid hebben mensen bij tijd en wijle nodig. 'Misschien wel vooral de jongere generatie,' meent Harry, 'is op zoek naar zulke momenten, naar inspirerende hoogtepunten. Dat is een ander manier van inspiratie zoeken dan in de reguliere kerkdiensten. En dat vraagt van predikanten en pastores een bijzondere aandacht. Het vraagt ook een vorm van religieus en spiritueel leiderschap, die is afgestemd op wat afwijkt van het reguliere. Jonge mensen leven misschien meer "van hoogtepunt naar hoogtepunt".' Dat alles maakt het overigens niet gemakkelijker voor degenen die leiding geven aan de kerkelijke gemeente. Want hoe voorkom je in een spagaat terecht te komen, als 60% van de gemeenteleden ouder is dan 60 jaar (met een voorkeur voor het traditionele kerkelijke aanbod), terwijl de 40% die jonger is eerder aansluiting zoekt op momenten en manieren, die voor henzelf relevant zijn? Diezelfde spagaat is - zo beaam ik - overigens ook vast te stellen in de katholieke kerk, wanneer deze in haar bisdommelijke beleid inzet op aandacht voor a) traditionele parochianen, b) zinzoekers en c) mensen die onze diaconale aandacht vragen. En - aanhakend bij deze laatste doelgroep - ondanks alle inzet en goede bedoelingen van de caritas en van de diaconie is het toch heel moeilijk om juist met die mensen in contact te komen, die een beroep zouden kunnen doen op kerkelijke financiële ondersteuning.

Op dit punt meent Harry, 'dat we de diaconie ook wel van ons af georganiseerd hebben. Veel is overgenomen door de burgerlijke overheid, of door organisaties die los staan van het kerkelijk netwerk. Met het houden van diaconale collectes is het kerkelijke dienstwerk misschien meer een kwestie van geld dan van het hart geworden. De intenties zijn goed, maar de diaconie heeft een zweem van oubolligheid over zich gekregen. Wellicht zouden we ook op het vlak van de diaconie uitdrukkelijker gebruik moeten maken van de verbondenheid in fragmenten: de diaconie meer verbinden met evenementen, zoals je bijvoorbeeld ziet rond acties als Serious Request.'

Inspiratie voor innovatie

Het proces van de PGG op weg naar 2020 is een complex en uitdagend gebeuren - zoveel is wel duidelijk. Maar het kan ook nieuwe inspiratie geven, nieuw enthousiasme genereren. Het eerder vermelde inlegvel zegt daarover: 'Het woord van Jezus over de twee of drie die in Zijn naam bijeen zijn, geeft vrijheid om de kerk "opnieuw uit te vinden". Beproefde vormen van kerk-zijn zijn het waard om voort te zetten. Maar vormen, tradities zijn in Jezus' naam iets levends. Ook in Goes zullen we deze zoektocht met elkaar aan moeten gaan in het besef dat organisatie, gebouwen en mensen de kerk tastbaar maken. Het is een uitdaging om bij aanpassingen geen mensen te verliezen en elkaar vast te houden in geloof. Dit vraagt wel om met andere ogen naar onze gemeente te kijken en te leren van andere kerkelijke verbanden. Juist hier kunnen innovaties ons helpen.' Zo is Harry van Waveren, samen met de mensen van de PGG - in al haar geledingen - op zoek naar inspiratie voor innovatie.