donderdag 3 januari 2013

Metamorfosen I

Het boek Metamorfosen, dat Erik Borgman in 2006 publiceerde, was in 2010 aan zijn vierde druk toe. Dit laatste geeft iets aan van het belang en de actuele betekenis van het onderwerp dat hij hierin aansnijdt. De ondertitel Over religie en moderne cultuur wijst op het raamwerk, waarbinnen hij het theologische debat wil voeren in confrontatie met de hedendaagse culturele en maatschappelijke context.

In deze bijdrage wil ik mij concentreren op de vraag, of het - vanuit de gedachtegang van Borgman - mogelijk is de hypothese te ondersteunen, dat de marginale positie van geloof en kerk eerder kansen dan bedreigingen biedt voor een hedendaagse, adequate geloofsbeleving en kerkontwikkeling. In twee toekomstige bijdragen wil ik dan het boek bevragen op de andere thema's van mijn studieverlof: kerk als beweging en verbondenheid in fragmenten.

Gezamenlijke afhankelijkheid

Het project (het boek is immers slechts een deel van zijn theologische onderzoeksprogramma) van Borgman is een gedurfde, maar ook uitdagende poging om de discussie over de betekenis en de waarde van religie te plaatsen in het hart en niet in de marge van het hedendaagse cultureel-maatschappelijke debat. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is 'de noodzaak het steeds dreigende en angstwekkende cynische ongeloof in de publieke discussie tegen te gaan.' (13 - De cijfers tussen haakjes verwijzen naar de betreffende pagina uit Metamorfosen.) Het bestrijden van ongeloof is niet een poging tot herkerstening van de Europese cultuur, maar het opnieuw in herinnering brengen van de essentie van het religieuze in het publieke debat, waarin het uiteindelijk 'gaat om iets dat geen van de deelnemers bezit, maar wat zij alleen van elkaar kunnen krijgen. Dit verdient respect en vraagt toewijding. De gezamenlijke afhankelijkheid [curs. WH] van wat ons alleen in het debat gegeven kan worden, is de uiteindelijke - in mijn religieuze visie - grond van het recht van de vrijheid van meningsuiting die terecht in de westerse samenleving zo fundamenteel wordt geacht.' (13)

Het is juist de door Borgman gesignaleerde afhankelijkheid die de essentie van religie uitmaakt, en die - wellicht precies daarom, maar geheel ten onrechte - wordt geweerd uit het publieke debat. Immers: 'Elke vorm van politiek en cultuur kan worden verstaan als uitdrukking van een verlangen naar het geluk en als poging dit geluk naderbij te brengen. Dit maakt ze theologisch van betekenis als gestalten van verlangen naar God en als poging trouw te zijn aan God als de vervuller van het menselijk verlangen naar geluk.'(19) Het verlangen naar geluk en de pogingen dit te bereiken is een universeel menselijk gegeven. Dit gegeven heeft niet alleen politieke en maatschappelijk-culturele betekenis, maar impliceert ook een principieel theologische insteek. Want dit verlangen en deze pogingen zijn alleen zinvol in het besef van de onderlinge menselijke afhankelijkheid en in de erkenning dat de vervulling van dit verlangen is onderworpen aan het inzicht dat 'mensen ... steeds opnieuw en steeds op nieuwe manieren [ontdekken] dat zij hun leven niet kunnen beveiligen, niet kunnen beheersen, niet kunnen maken, en dat zij met dit gegeven in het reine moeten komen.' (49) 'Mijn theologische vermoeden is nu dat de huidige terugkeer van de belangstelling voor religie de ontdekking betekent dat het creëren van een volmaakte wereld onmogelijk is.' (50)

Verliezen en winnen

De inspanningen van Borgman om religie opnieuw in het hart van het publieke debat te plaatsen, worden overigens ook zichtbaar in zijn Overlopen naar de Barbaren. Het publieke belang van religie en christendom (2009, 2e druk). Dat deze inspanningen nodig zijn, zie ik als een erkenning van van de omstandigheid dat geloof en kerk feitelijk een marginale plaats innemen in de huidige samenleving. Maar tegelijk zijn deze inspanningen een bevestiging van de mogelijkheid om vanuit die marginale positie nieuwe kansen te benutten om door te dringen tot het wezenlijke van geloof en kerk. Deze kansen zijn vooral gelegen in de mogelijkheid om een ander aspect van de christelijke religie te benadrukken. Hierbij gaat het om de notie van 'verliezen in vertrouwen op de belofte van terugwinnen'. Borgman werkt dit uit in het - voor mij zeer inspirerende - hoofdstuk over De christelijke traditie als herinnering aan Gods kenotische nabijheid. (230-245)

'Kenosis' is een begrip dat is ontleend aan de brief van Paulus aan de Filippenzen (2, 6-11). De term wordt  in theologische zin gebruikt om aan te duiden, dat God in Jezus een menselijke gestalte heeft aangenomen; in zijn overgave aan de dood op het kruis heeft Jezus laten zien dat hij zijn goddelijke natuur niet heeft willen vasthouden, maar in alle opzichten de menselijke natuur heeft willen delen. Precies in de schandelijke dood aan het kruis - een langzame en gruwelijke marteldood die destijds bedoeld was voor slaven, want Romeinse staatsburgers kregen een eervolle doodstraf: zij werden onthoofd - is zichtbaar geworden hoe God in dat moment van totale godverlatenheid toch aanwezig kan zijn als degene op wie te vertrouwen is, ook al lijkt dat vertrouwen volkomen absurd. Borgman: 'Precies de christelijke overtuiging dat in Jezus' overgave aan deze goddeloosheid en in zijn bereidheid eraan te gronde te gaan, zichtbaar werd hoe God is, maakt het onmogelijk te claimen dat christenen en hun kerk als erfgenamen van Jezus alle waarheid in bezit zouden hebben.' (234) 'Jezus belichaamt een waarheid die geen bezit kan zijn, maar een ruimte die steeds opnieuw wordt ontvangen op plaatsen waar dat het minst te verwachten is [curs. WH].' (235)

Het waagstuk dat geloven heet

Het is vanwege deze laatste formulering, dat ik mij gesterkt voel in mijn vermoeden om de kansen voor geloof en kerk te zoeken in de marge - niet omwille van geloof en kerk als zodanig, maar omwille van mensen die in en vanuit dit waagstuk, dat geloven heet, willen leven. De hierboven genoemde ruimte en de in Jezus op een ultieme wijze gepersonifieerde, vertrouwvolle ontvankelijkheid, waardoor een gerichtheid ontstaat op het onverwachte, maken het mogelijk in de marge de kansen te ontdekken, die wij in het centrum van de hedendaagse doel-rationaliteit nauwelijks vermogen te zien.

Wat dan concreet de kansen in de marge zijn voor geloof en kerk, kansen die benut kunnen worden in de feitelijke omstandigheden, wil ik in de komende tijd onderzoeken in een aantal gesprekken met mensen en groepen, waarvan ik vermoed dat zij vanuit 'een ruimte die steeds opnieuw wordt ontvangen' het voortouw nemen.  In die lijn sluit ik af met een programmatische oproep van Borgman: 'Het komt erop aan oog te krijgen voor de levenskracht van de veelkleurige en veelvormige, vaak warrige en weinig gesystematiseerde religieuze vormen die schuil gaan onder de oppervlakte van de mondiale rationalisering. Religie lijkt steeds opnieuw te ontstaan uit de confrontatie met de ongerijmdheden van het individuele en collectieve bestaan, uit het verlangen naar ordening in de chaos, uit de drang naar leven te midden van de dreigende dood, uit de soms wanhopige hoop op een dragende kracht die bevrijdt van de onmogelijke taak zelf het eigen leven te maken.' (231)