maandag 7 januari 2013

Metamorfosen II

Het is zeker een overmoedige gedachte om te veronderstellen er zonder meer een transformatie mogelijk is van een kerk als instituut naar een kerk als beweging, hoe noodzakelijk die omvorming ook mag zijn. Daarom zal dit proces, wil het een goede kans van slagen hebben, gebaseerd moeten worden op minstens twee pijlers: een geïnspireerde en inspirerende visie en een adequate (jaja, toch weer:) organisatorische inkadering. Inspiratie en organisatie vormen een onlosmakelijk geheel, maar de aandacht voor de inspiratie beschouw ik als het fundament voor de organisatie. De notie dat 'het geloof voorop' gaat, wordt verwoord in de beleidsvoornemens van het bisdom Breda uit 2007: In de duizend gezichten van uw volk.

Vanwege het primaat van de inspiratie wil ik mij in deze bijdrage richten op de vraag, of er in Borgmans Metamorfosen elementen te vinden zijn die een ondersteuning bieden voor de aanname dat 'kerk als beweging' kansen met meer perspectief oplevert voor het geloof van mensen dan de kerk in institutionele vorm. Eerder heb ik betoogd, dat de pelgrimage - die ik hier niet enkel als fysieke onderneming, maar ook als geesteshouding wil opvatten - 'doorgaans leidt tot het besef dat de pelgrim in veel opzichten afhankelijk is van de omstandigheden, van de mensen die zij/hij ontmoet, van Gods genade.' Het onderweg zijn mag daarom gezien worden als een metafoor voor het besef van receptiviteit en van flexibiliteit. Precies dit besef is nodig om te kunnen focussen op de betekenis van 'kerk als beweging'. (En toegegeven: eigenlijk gaat het mij hier meer om de beweging dan om de kerk.)

Een nieuwe religieuze situatie

Borgman gaat uit van de gedachte dat 'de hernieuwde belangstelling voor religie en religieuze thema's ..., in alle chaos, veelvormigheid en onduidelijkheid die het aankleeft, aan het licht [brengt] dat onze situatie op een onverwachte en nieuwe manier een religieuze situatie is.' (78) Als deze belangstelling in alle verwarrende verschijningsvormen inderdaad duidt op een verrassend andere religieuze situatie, dan kan deze vaststelling enkel gedaan worden vanuit de optiek, dat religie - net als vrijwel alle andere verschijnselen in de wereld waarin wij leven - onderhevig is aan wijziging, beweging, historiciteit en de beperkingen van het moment. Religie die een voor eens en altijd vaststaande waarheid belichaamt, is niet te beschouwen als een reëel en dus veranderend en veranderbaar verschijnsel, maar als een ideologie. Religie echter, die verstaan wordt als een fluïde en vaak ongrijpbare uiting van het menselijke verlangen naar heelheid en genade, is - juist in haar ondoorgrondelijkheid - moeilijker in te passen in het beeld van een kerk als instituut. Er zijn mensen, die deze 'verzwakking' van de religie betreuren.

Zich baserend op werk van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo stelt Borgman vervolgens: 'Deze beweging in de richting van 'verzwakking' brengt de moderniteit volgens Vattimo op een verrassende manier in de nabijheid van de christelijke traditie.' (79) Met een verwijzing naar de brief van Paulus aan de christenen in Filippi (2, 6-11) wijst Borgman erop, dat 'God zich [heeft] ontledigd om in Jezus Christus als mens te verschijnen: zwak, kwetsbaar, zonder verweer tegen machtsuitoefening, en juist zo een onthulling van wat werkelijk van belang is. ... Zo is het meest verhevene te vinden in het meest onooglijke, het meest waardevolle in dat wat zichzelf het minst kan verdedigen.' (79) Het is deze paradoxale interpretatie van de werkelijkheid, die het mogelijk maakt ook onze actuele leefsituatie te zien als een religieuze situatie, want dan worden in die soms rauwe en vaak ongerijmde realiteit sporen zichtbaar van een toekomstscheppende God.

Hierop voortbordurend - nu onderbouwd vanuit de gedachtegang van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy - stelt Borgman dat het christendom, in tegenstelling tot religies die hun identiteit veelal baseren op wat in het verleden is gebeurd of vastgelegd, principieel geopend staat naar wat komt. 'God staat niet allereerst aan het begin van alles, maar openbaart zich in het verloop van de geschiedenis en zal zich pas volledig onthuld hebben aan het einde ervan. Dit opent het christendom voor het nieuwe dat zich aandient en laat het keren naar het andere dan zichzelf, met de verwachting dat juist daar de waarheid te vinden zal zijn.' (82)

Gericht op wat komt

Deze gerichtheid op het nieuwe dat zich aandient, veronderstelt een openheid, die niet vanzelfsprekend is. Het is een gerichtheid, die kwetsbaar maakt en die vraagt om moed. Ze is gefundeerd op het vertrouwen, dat niet de eigen waarheid zaligmakend is, maar het gezamenlijke zoeken naar wat waardevol is en toekomst schept. Ze veronderstelt, dat het mogelijk is om mijn eigen belangen los te laten in de overtuiging, dat slechts het onbaatzuchtig dienen van de belangen van de naaste uiteindelijk (in) mijn belang is. Met deze - voor het christendom principiële - gerichtheid op het nieuwe is in mijn optiek nauwkeurig de beweging aangeduid, die vanuit geloof en kerk nodig zijn om de geesteshouding van de pelgrimage mogelijk te maken.

De beweging, het pelgrimeren, het op weg zijn, het openstaan voor wie of wat zich aan mij voordoet, hoort tot het wezen van het christelijke geloof. De gerichtheid op het komende en op de Komende maakt christenen vrij om zich niet gebonden te achten aan wat is of aan wat is geweest. Deze gerichtheid geeft hen de moed en het gelovige vertrouwen, dat kwetsbare ontvankelijkheid geen zwakte laat zien maar juist een grote innerlijke kracht.

Toegespitst op de kerk als organisatie of als instituut betekent dit, dat wij de bestaande vormen, waarin de kerk zich aan ons voordoet, altijd opnieuw moeten leren zien onder de optiek van wat zich voordoet of zal voordoen. Het betekent wellicht vooral, dat wij de bereidheid weten op te brengen om bestaande vormen  los te laten omwille van de voortgang van het geloof van mensen. Geloof uit zich weliswaar in bepaalde organisatievormen en geritualiseerde gebruiken, maar het zit daar niet in opgesloten. De huidige culturele en maatschappelijke situatie - in al haar kleurrijke veelvormigheid, verwarring en dissonanten - getuigt daarvan. Voor wie het wil zien.