donderdag 10 januari 2013

Metamorfosen III

Op zijn weblog vermeldt Sybrand van Dijk, dominee in het Groningse Sauwerd, dat hij het boek God in Fragmenten van de Franse theoloog Jacques Pohier - naar welk boek hij zijn weblog heeft genoemd - ook maar bij toeval op het spoor kwam: 'Zijn boek stond half vergeten op een plank in een boekhandel. De titel raakte mij. Het was een punt in mijn leven, waarop alles gebroken was. Ik voelde mij een karretje dat losgebroken was van de trein en uit de rails was geschoten. Ik was verdwaald, en in paniek, op onbekend terrein. God lag vóór mij, in stukken. In onherstelbare scherven. Ik verlangde terug naar het spoor. Ik wilde terug naar de trein. In mij huilde een ontroostbaar kind.'

Hunkering vaar verbondenheid

Uit deze woorden spreekt een hunkering naar verbondenheid: niet alleen met God, maar ook met mensen die Sybrand terug op dat spoor kunnen helpen. De behoefte aan verbondenheid, en vooral het voldoen aan die fundamentele behoefte, is essentieel voor het menselijk bestaan. De wijze waarop die verbondenheid tot stand komt, kan verschillen naar gelang de persoonlijke, culturele, maatschappelijke en spirituele omstandigheden die zich aan mensen voordoen. Ik meen dat de sterke individualisering van onze samenleving leidt tot een verbondenheid in fragmenten. En ik heb in een voorgaand bericht betoogd: 'Misschien ligt in het erkennen van ieders persoonlijke keuze daarom wel meer onderlinge verbondenheid dan we op het eerste oog zouden vermoeden. Het principieel erkennen van ieders individuele keuzemogelijkheid (en van de verbintenissen die zij/hij wel of niet wil aangaan) zou wel eens een echo kunnen zijn van de geduldige trouw van God (Ps 86, 15).'

Hier interesseert mij vooral de vraag, in hoeverre vanuit Borgmans Metamorfosen aanknopingspunten zijn te vinden voor het vermoeden, dat de erkenning van het gefragmentariseerde karakter van de menselijke verbondenheid een zinvolle en kansrijke betekenis heeft voor het geloof en het kerk-zijn van mensen van vandaag.

De fragmentarisering die ik constateer met betrekking tot de onderlinge menselijke verbondenheid, wordt ook door Borgman gesignaleerd als hij stelt: 'In Nederland drukt dit "geloven buiten verband" (believing without belonging) zich uit in het opmerkelijke gegeven dat een niet onaanzienlijk deel van de bevolking zich niet beschouwt als lid van een kerkgemeenschap, maar wel als gelovig. De religie en de kerken als een soort cultureel geheugen dus, waar mensen zich niet mee identificeren, maar dat ze achter de hand willen hebben om eruit te kunnen putten als ze dat nodig achten. ... Zoals waarschijnlijk op de meeste terreinen van het leven, gedragen zij zich ook in religiosis primair als consumenten en gebruikers.' (36)

Geschonken

Deze laatste constatering heeft beleidsmakers en voorgangers ertoe verleid om als kerk een positie te willen veroveren op De markt van geloven (titel van een boek van Anne van der Meiden, 2000, 2e druk). Het denken in marketingtermen met betrekking tot geloof en kerk is echter niet de insteek die Borgman kiest. Hij gaat uit van de gedachte, dat 'de christelijke traditie ... een visie [heeft] op wat de samenleving feitelijk bij elkaar houdt, en op het verplichtende karakter van deze werkelijkheid. ... Wij mensen danken wat wij zijn en wat wij hebben aan anderen, aan wat ons vrij geschonken is. Dit impliceert de verantwoordelijkheid bij te dragen aan het welzijn van anderen.' (117) Deze onderlinge solidariteit als verplichtende vorm van verbondenheid is echter geen op voorhand gegeven werkelijkheid. 'Partieel, gebroken, tekortschietend en steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie kan deze solidariteit geïnstitutionaliseerd en gecultiveerd worden, zonder dat de mislukkingen ooit de illusie doen ontstaan dat alles voor niets is, of de successen dat het onmogelijke dan toch is gerealiseerd. Het onmogelijke verschijnt als mogelijke, en daarmee zinvolle opgave binnen een reëel gegeven. Tegelijkertijd blijft het een steeds wijkende horizon.' (126)

Van grote betekenis in deze visie is, dat Borgman de onderlinge menselijke verbondenheid niet zozeer benadert in termen van het marktmechanisme, maar als een morele categorie. Mensen gedragen zich niet enkel als gebruikers van wat zij in hun leefwereld aantreffen, maar ook - hoewel niet uitsluitend en niet in alle omstandigheden - als personen met een moreel besef. In het zeer genuanceerde hoofdstuk over De religieuze waardigheid van tot sterven geworden leven stelt Borgman vast, 'dat mensen individueel en georganiseerd contact met hen [= ernstig zieken en stervenden - WH] zoeken, zich toewijden aan hun verzorging, hen steeds opnieuw willen brengen tot een in hun situatie optimale vorm van goed en autonoom bestaan.' (216)

Een intrinsieke kans

De lotsverbondenheid als een verschijningsvorm van ultieme solidariteit komt vaak op een gebroken, fragmentarische wijze tot uiting. Zij wordt immers - aldus Borgman - gekenmerkt als 'steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie.' (126) Dat betekent in mijn visie dan, dat in de verbondenheid - juist vanwege het fragmentarische karakter, dus omdat de verbondenheid nooit 'af' is - een intrinsieke kans zit opgesloten om in dat streven naar verbondenheid ook het geloof van mensen te ontdekken. Het is immers in de ervaring van de gebrokenheid van het bestaan, dat mensen het meest dringend behoefte hebben aan een oervertrouwen, aan een geloof dat grond geeft aan hun leven. Precies vanwege het steeds onvoltooide karakter van de verbondenheid staat zij - vanuit religieus c.q. christelijk oogpunt - in het teken van de uiteindelijke voltooiing door God zelf. En waar dit geloof van individuele mensen zich ontwikkelt tot een georganiseerde vorm van lotsverbondenheid en geloofsbeleving, daar kan ook sprake zijn van kerk in de betekenis van geloofsgemeenschap.

Kortom, waar het steeds opnieuw streven naar verbondenheid tussen mensen op een niet-dogmatische, praktisch-morele en persoonlijk doorleefde wijze tot stand komt en tevens gebaseerd is op de vrije keuze van individuele mensen, daar zie ik toekomstperspectief voor geloof en kerk in het tijdsgewricht, waarin wij leven. Ik hoop deze conclusie vanuit de concrete praktijk te kunnen onderbouwen in de interviews die ik wil voeren met mensen en groepen, waarvan ik veronderstel dat zij iets zichtbaar maken van de verbondenheid in fragmenten. Daarom: wordt vervolgd...