vrijdag 15 februari 2013

Je energie anders gebruiken

Interview met Dom Bernardus Peeters
Abt van de Trappisten van Koningshoeven

Uit de tweede hand had ik het verhaal al eens gehoord, zij het in een notendop. Maar ik wilde het nog eens - en nu wat uitvoeriger - vernemen van een van de direct betrokkenen. Omdat de ingrijpende gebeurtenissen in 1997 in de Abdij Onze Lieve Vrouwe van Koningshoeven in Berkel-Enschot veel verwantschap hebben met de krimpsituatie, waarmee we in de kerken geconfronteerd worden. Abt Bernardus neemt alle tijd om het relaas opnieuw te vertellen en in te gaan op mijn vragen.

Ruim vijftien jaar geleden is, na een diepgaande en langdurige discussie, de beslissing genomen dat de oudere, zorgbehoevende broeders uit het klooster een nieuwe plek zouden krijgen, waar de zorg beter gegarandeerd kon worden. Van de veertig broeders, die tot dan in de abdij leefden, waren er dertig ouder, zelf veel ouder dan 70 jaar. De tien jongere broeders besteedden vrijwel al hun tijd aan de verzorging van de ouderen. 'Het was geen kwestie,' vertelt Berardus, 'dat ze die zorg niet wilden geven. Maar het besef groeide, dat er op deze wijze geen toekomst was voor de kloostergemeenschap. De toenmalige abt, Dom Korneel Vermeiren, heeft voorgesteld om voor de oudere monniken een geschikte plaats te zoeken. Het heeft veel overleg en ook heel wat spanningen gekost om uiteindelijk hierover een beslissing te nemen. De generale abt van de Trappisten heeft zich achter het voorstel geschaard. Maar wat op den duur de doorslag heeft gegeven, was het gezamenlijke inzicht dat het een goede beslissing zou moeten zijn met het oog op de toekomst van de kloostergemeenschap. En tegelijk ging de beslissing ook gepaard met veel persoonlijke pijn.'

Een nieuwe plek voor de oudere monniken werd gevonden in een leegstaand gedeelte van de het klooster Sparrendaal, eigendom van de paters Scheutisten in Vught. Uiteindelijk zijn achttien broeders - enkelen van de dertig ouderen waren inmiddels overleden - naar Vught gegaan. Ze kregen daar een eigen kapel (belangrijk om hun eigen gebedstijden te kunnen aanhouden), een eigen refter en de verzorging die nodig was.

Investeren: in relaties en in het gebouw

'Voor de tien jongere broeder die achter bleven in Koningshoeven,' gaat Bernardus verder, 'ontstond er een compleet nieuwe situatie. Het perspectief veranderde volkomen. Het hele proces heeft ons de mogelijkheid gegeven om onze energie op een totaal andere wijze te gaan gebruiken. We hadden tot dan zoveel tijd gestoken in de verzorging van de ouderen, dat we tot de ontdekking kwamen elkaar niet eens te kennen. We hebben toen een half jaar de tijd genomen om te investeren in de onderlinge relaties. Dat was een goede beslissing, want het fundament dat gelegd is in dat halfjaar, is essentieel gebleken voor veel keuzes die later gemaakt moesten worden. Een van de vragen had bijvoorbeeld betrekking op het gebouw. We zaten met een kleine groep in een veel te groot klooster. Om twee redenen is ervoor gekozen het gebouw toch te handhaven: uit piëteit voor de ouderen die vertrokken waren, en vanwege de "uitstraling". We wilden immers ook door het gebouw present zijn in de omgeving, dus het waardevolle laten zien van de monastieke traditie.'

De hoofdingang van het kloostercomplex
met de grote kerk op de achtergrond
Maar hoe maak je zo'n immens gebouw leefbaar voor een kleine groep? Het gebouw is opgetrokken en in 1893 in gebruik genomen voor 150 broeders. Om het bruikbaar en rendabel te maken voor een groep van tien moet je bereid zijn om alle gangbare schema's los te laten. Dat vraagt nogal wat. 'We hebben tegen elkaar gezegd,' vervolgt de abt, 'dat we nu moeten leven, dus uitgaan van de gegeven omstandigheden, maar wel met gevoel voor de waarde van de traditie waarin we willen staan. We passen het gebouw dus aan onze behoefte aan, maar wel verantwoord. Zo zijn we dus gaan schuiven met diverse ruimtes. De vroegere eetzaal is een bibliotheek geworden. En ook heeft iedere broeder - echt een enorme omschakeling in onze traditie waarin alles gemeenschappelijk gebeurde, ook het slapen - een eigen kamer gekregen met douche en toilet. Misschien de grootste omschakeling was wel het zoeken naar een geschikte, kleinere ruimte waar we onze getijden konden blijven bidden. Het getijdengebed is immers een heel centraal deel van het kloosterleven. Maar het besef was op den duur duidelijk aanwezig, dat de grote kerk niet meer voldeed voor wat we beoogden met het het gemeenschappelijke gebed. De grote kerk is enkel nog in gebruik voor de zondagsviering en de liturgie op de hoogfeesten. De ruimte die we nu gebruiken voor het getijdengebed past beter bij de behoeften van de huidige, kleinere groep. Alles bijeen genomen is er zoiets als een kloostertje binnen een klooster ontstaan.'

Dan blijft nog de vraag, hoe je dit allemaal kunt blijven volhouden vanuit economisch standpunt. De abdij genereerde zijn inkomsten uit twee bedrijven: de brouwerij en de boerderij. Voor beiden is - na uitvoerig overleg - een partner gevonden. Zo is er voor de brouwerij samenwerking gezocht met een commerciële bierbrouwer. 'Vooral onze buitenlandse kloosters,' geeft Bernadus aan, 'hadden hier aanvankelijk grote moeite mee, omdat men vreesde dat het originele Trappist op deze manier verloren zou gaan. Maar in de samenwerking is overeengekomen, dat de Abdij Koningshoeven eigenaar blijft van de brouwerij en van de originele receptuur. Uiteindelijk zien ook degenen die in het begin bezwaren opperden nu in, dat het een juiste beslissing is geweest. En voor de boerderij zijn we - in samenwerking met de gemeente - een sociale werkplaats gestart, waar nu zo'n 150 mensen werken. Ook dat gaf in het begin wel wat aarzeling, want zoveel meer "verkeer" op ons terrein moet je wel in goede banen zien te leiden. Maar ook hier is het uiteindelijk op z'n pootjes terecht gekomen.'

Groeien: in aantal en in vertrouwen

Langzaam maar zeker kwamen er ook een aantal nieuwe aanmeldingen in de abdij. Op dit moment telt de kloostergemeenschap negentien broeders - bijna een verdubbeling ten opzichte van 1997 - met een gemiddelde leeftijd van 58 jaar. In de abdij zijn acht nationaliteiten vertegenwoordigd. Dat hangt samen met het gegeven, dat er vanuit de abdijen die uit Koningshoeven zijn ontstaan in Kenia en Indonesië, maar ook vanuit andere landen, monniken naar Nederland zijn gekomen. 'Op die manier is niet alleen het missionaire eenrichtingsverkeer doorbroken,' geeft Bernardus aan, 'maar zijn we als kloostergemeenschap ook een afspiegeling van de huidige multiculturele samenleving. Die verrijking vinden wij heel belangrijk, want ook in dat opzicht willen we nieuwe toekomst zoeken. In het samenleven tussen een Braziliaan en een Duitser of tussen iemand uit Indonesië en uit Vlaanderen zijn niet dezelfde dingen vanzelfsprekend. Daarin moet je dus samen een weg vinden. Soms zijn er spanningen of een zekere mate van onbegrip. Maar we stimuleren elkaar om te luisteren naar de ander en tegelijk te luisteren naar onszelf. Zo geef je elkaar vertrouwen. En dat willen we laten zien: niet alleen aan elkaar, maar ook naar de buitenwereld toe. Het is wel een proces, dat opnieuw vraagt om los laten, want ook hier moet je bereid zijn om buiten de gebaande paden te gaan.' Ook op deze wijze is de abdij present in de hedendaagse samenleving en heeft ze een tekenwaarde, die niet alleen in het gebouw wordt uitgedrukt, maar ook in de samenstelling van de gemeenschap.

'Toch kan het ook heel lastig zijn,' is Bernardus van mening, 'om in bepaalde gevallen de beeldvorming bij te sturen, die vanuit diezelfde samenleving - of zelfs binnen de orde - over ons wordt gevormd. Denk maar aan de aanvankelijke kritische geluiden over de samenwerking met de commerciële bierbrouwer. Maar ook toen we de eerste keer Kerstmis vierden met de kleine overgebleven groep, was het voor de buitenwacht onbegrijpelijk dat we ervoor kozen dit enkel in eigen kring te doen. Dat was in dat eerste halfjaar van inzetten op het leren kennen van elkaar. Dat de kerstviering niet voor anderen toegankelijk was, heeft tot heel wat reacties geleid, tot in de Trouw toe. Maar, zoals gezegd, voor onze gemeenschap was het een goede keuze. Na dat eerste halfjaar hebben we de vieringen in de kerk weer opengesteld voor mensen van buiten.' Soms - zo concludeer ik met instemming van de abt - moet je beslissingen nemen, die afwijken van wat gangbaar is geweest. Voor sommige mensen lijkt dat een knieval, maar in essentie getuigen dergelijke beslissingen van een grote innerlijke kracht. 'Inderdaad hebben we ervoor gekozen,' vult Bernardus aan, 'afstand te nemen van de traditionele geslotenheid van de kloostergemeenschap omdat we op die manier nieuwe toekomst hebben kunnen schapen. We blijven verbonden met onze eigen monastieke traditie, maar we geven er wel een andere invulling aan, omdat de huidige omstandigheden dat van ons vragen.'

Uitgespaarde plek

Uit het verhaal van abt Bernardus maak ik op, dat ook het klooster - net als vele parochies - zich in de huidige samenleving in een marginale positie bevindt. 'Maar ook in kerkelijk opzicht,' nuanceert hij, 'hebben wij die plek in de zijlijn. Want als kloostergemeenschap zijn we bij het overgrote deel van de parochies niet in beeld. Uit die hoek zijn dus ook geen nieuwe aanmeldingen te verwachten. Anderzijds constateer ik, dat de samenleving in de directe en de wijdere omgeving hecht aan de aanwezigheid van het klooster. Zo worden in het gastenverblijf tussen de 3.000 en 3.500 overnachtingen per jaar geboekt. De brouwerij ontvangt rond de 120.000 bezoekers per jaar. In het proeflokaal wordt geen muziek afgespeeld, maar uit een enquête bleek dat 99% van de bezoekers de stilte niet als hinderlijk, zelfs als passend en weldadig werd ervaren. Op die manier wordt duidelijk, dat het proeflokaal eerder als een heilige plek dan als een plaats van vertier wordt gezien.' Het klooster mag dan een plek in de marge hebben, het is wel een uitgespaarde plek, waar misschien vooral die waarden in beeld komen, die in de hedendaagse cultuur niet of nauwelijks belangrijk worden gevonden.

Wanneer het gaat over het tweede thema van mijn studieverlof, het in beweging zijn van ook deze kloostergemeenschap, dan komt die niet alleen tot uitdrukking in de fysieke beweging van de oudere broeders naar Vught, maar ook in de mentale en spirituele beweging van het loslaten van de gebruikelijke schema's. Ik denk dan aan de samenwerking inzake brouwerij en boerderij, de herinrichting van het gebouw, de bewuste keuzes voor de internationale samenstelling van de gemeenschap en voor het bieden van een uitgespaarde plek in de tegenwoordige samenleving, en tenslotte het openstellen van de gebedstijden voor belangstellenden.

De nieuwe, kleiner kapelruimte voor de gebedstijden

Je energie anders richten

Daarmee komen we uit op het derde thema van mijn interesse: de verbondenheid in fragmenten. 'Waar de gasten in de aanvang,' verduidelijkt de abt, 'aangespoord moesten worden om deel te nemen aan de gebedstijden, doen zij dat nu met een grote vanzelfsprekendheid. Verder zorgen de gasten zelf voor de invulling van hun dagprogramma. Alleen op uitdrukkelijk verzoek bieden wij - beperkt - enige vorm van begeleiding. Sommige gasten keren met regelmaat terug, anderen (het grootste deel) niet. In die zin is hun verbondenheid fragmentarisch. We nemen dat ook waar bij het kerkbezoek. Steeds meer mensen bezoeken onze kerk bij gelegenheid van de jaarlijkse misintentie voor hun dierbare overledenen of wanneer er bijvoorbeeld een gouden bruiloft te vieren is. Dat wordt dan geen speciale viering, maar in de voorbeden is er wel aandacht voor dergelijke bijzonderheden. Je zou dus kunnen spreken van bezoekers per evenement. Voor de voorganger maakt het dat er niet eenvoudiger op. Want op wie richt hij zich in zijn verkondiging: de broeders, de vaste kerkgangers of de passanten?' Uit dat oogpunt gezien, biedt de fragmentarische verbondenheid niet alleen mooie kansen, maar ook lastige vragen. Want het maatwerk dat mensen vragen - zoals ik zelf ervaar bij sommige uitvaarten - , kan in een zekere spanning staan met de liturgische traditie waar je als representant van de kerk niet zomaar overheen wilt stappen.

Ter afsluiting geeft abt Bernardus nog een welgemeend advies: 'Het los laten van wat vertrouwd en dierbaar is, kan eigenlijk alleen tot een goed einde worden gebracht als je - samen en ieder afzonderlijk - een zeker gevoel van veiligheid kunt bewaren. Daarvoor moet je met elkaar het doel goed voor ogen blijven houden. In ons geval ging het om de toekomst van onze kloostergemeenschap. En daarom ook: gun mensen de tijd om hun verdriet over wat ze moeten los laten een plek te kunnen geven.' Ik besef, dat dit een precair proces is. Maar waar dit blijkt te lukken, ben je in staat om - in verbondenheid met elkaar - je energie anders te richten en te gebruiken.