maandag 11 februari 2013

Kracht van een minderheid

Interview met ds Leuny de Kam
Doopsgezind predikante

Een kwetsbare positie of een minderheidsstandpunt maakt, dat je op zoek moet gaan naar je innerlijke kracht, naar wat jou overeind kan houden. Als ik, na mijn bezoek aan de Doopsgezinde Gemeente in Middelburg, opnieuw en nu uitvoeriger in gesprek ga met ds Leuny de Kam, dan heeft ze uit haar boekenkast de bundel Kracht van een minderheid (redactie Ciska Stark en Erik Jan Tillema) voor mij meegebracht. Het is een boek, uitgegeven in 2011 bij gelegenheid van de herdenking van de 450e sterfdag van Menno Simons, 'dat op een duidelijke manier laat zien wie de doopsgezinden zijn en waar ze voor staan. Het biedt een overzichtelijk inkijkje in dit kleine kerkgenootschap, dat toch zo belangrijk voor Nederland was,' aldus de aanbeveling op de achterzijde.

Betekenis voor onszelf

Het geanimeerde gesprek met Leuny gaat al gauw in de richting van de minderheidspositie, die de doopsgezinden innemen. 'Die positie hebben we,' zegt ze, 'altijd al ingenomen. Maar we laten ons daardoor niet ontmoedigen. Wat we doen, doen we omdat we het zelf belangrijk vinden, ongeacht of we met veel of weinigen zijn. En ook als de nieuwe generatie het niet overneemt, dan nog houden wij vast aan de betekenis van onze geloofsovertuiging voor onszelf.' Daarin speelt ook mee, dat de volwassenendoop - met een persoonlijk geformuleerde geloofsbelijdenis - vraagt om een bewuste en expliciete keuze van de leden Doopgegezinde Gemeente. Precies daarin ligt ook voor een deel de kracht van de mensen, die samen deze kleine gemeenschap vormen.

Want al telt de Doopsgezinde Gemeente op Walcheren slechts zo'n 60 leden, de actieve betrokkenheid van deze mensen is relatief sterker dan in een grotere gemeenschap, waarin men gemakkelijker denkt dat de verantwoordelijkheid wel door een ander wordt opgepakt. Het actieve engagement moet ook wel sterker zijn in zo'n kleine groep, omdat het niet eenvoudig is (zelfs lastiger dan in een grote gemeenschap) om alle functies vervuld te krijgen. 'En toch,' vertelt Leuny met enige trots en een zekere verwondering, 'lukt het altijd weer. Er zijn mensen, die zichzelf minder geschikt vinden maar die, eenmaal lid van de kerkenraad, onvermoede kwaliteiten blijken te hebben - zelfs tot hun eigen verbazing. En het mooie is, dat ook hun sociale leven een flinke oppepper krijgt.'

Natuurlijk zijn er ook zorgen. Omdat de financiën terug lopen, moet er worden ingeteerd op de reserves. Desondanks heeft de gemeente bij de aanstelling van Leuny toch bewust gekozen om een predikant te willen. Ook als dit zou betekenen, dat er over vijf jaar een geld meer is om een voorganger te betalen. Want, zo is de redenering, de gemeenteleden die er nu zijn, hebben recht op een dominee.

Leuny gaat dieper in op de fundamentele gelijkwaardigheid van alle gemeenteleden: 'Zowel in onze besluitvorming als in de de liturgie zijn de leden en de voorganger principieel gelijkgerechtigd. We noemen elkaar broeders en zusters, want we hebben maar één meester: Jezus. Daarom is de liturgie ontdaan van alle franje (zelfs geen liturgische kleding voor de voorganger - WH) en is er ruimte voor ieders persoonlijke interpretatie van het scala aan geloofsopvattingen. De persoonlijke geloofsbelijdenis, geformuleerd bij de volwassenendoop, vinden wij belangrijker dan een gezamenlijk uitgesproken credo.' 

Terug naar het elementaire

De positie in de zijlijn van de huidige cultuur geeft mogelijkheden, vindt Leuny, 'om in de toch al basale liturgie die wij beogen te zoeken naar taal die voor iedereen verstaanbaar is. Dat is niet gemakkelijk, omdat de taal van geloofstermen een andere is dan de taal die wij in het dagelijks leven bezigen.' Ik haak daarop in met de opmerking, dat het hier een zekere onmacht-van-twee-kanten betreft: de onmacht van de kerken om geloofswoorden te vertalen in wat verstaanbaar is voor hedendaagse mensen, maar ook het onvermogen van de toehoorders om die vertaalslag (als hij al gemaakt wordt) mee te maken. 'Maar soms lukt het toch,' zegt Leuny. 'Bijvoorbeeld als ik drempelvieringen houd voor kinderen tot twaalf jaar. Ik laat hen letterlijk over een drempel stappen om hen als het ware op weg te helpen, binnen te laten komen. Je kunt in zulke vieringen veel mooie vormen en mogelijkheden benutten, maar je moet terug naar het elementaire.'

Als ik vraag naar hoe Leuny aankijkt tegen kerk in beweging, geeft ze aan dat het beweeglijke in de doopsgezinde traditie misschien wel vooral is gelegen in de navolging van Jezus. Navolgen veronderstelt in essentie immers de beweging. 'Vandaar ook, dat de persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder individueel bij ons sterker is dan de behoefte aan een institutioneel karakter van de kerk. En daarom vind ik het zelf erg belangrijk om op zondagmorgen in te gaan op thema's die de maatschappelijke actualiteit raken - zoals bijvoorbeeld op de Watersnoodramp aan het begin van deze maand. En in die maatschappelijke betrokkenheid ligt voor mij ook de noodzaak om als kerk te zoeken naar een nieuwe, geëigende positie in de samenleving, de wijk, het dorp. Daarbij moeten we uitgaan van onze sterke kanten. Als kerken hebben we bijvoorbeeld veel te bieden op de scharniermomenten van het leven.'

Geraakt willen worden

We komen te spreken over de verbondenheid in fragmenten. Voor Leuny herkenbaar, als ze bijvoorbeeld wijst op het gegeven dat jongere kinderen soms eerder met oma en opa naar de kerk komen dan met hun ouders. Of als een kind vraagt: 'Wanneer gaan we weer naar de kerk van oma?' Maar ook herkenbaar wanneer de ouders zelf - zoals wel gebeurde na een kinderkerstviering - aan Leuny vragen; 'Doe je dit eigenlijk vaker?' Door de laagdrempelige liturgie voelen ook de ouders zich aangesproken. Het geeft aan dat ze zoekende zijn. En wanneer je als voorganger deze basale vorm van liturgie aanbiedt, dan geef je mensen ook de ruimte om fragmentarisch, maar voor dat moment zich toch verbonden te voelen.

'Dat gevoel van verbondenheid is voor mij ook een belangrijke reden,' benadrukt Leuny, 'om in een kleine gemeente veel aandacht te besteden aan pastoraat. Het persoonlijke contact met mensen is een essentiële manier om te laten zien, dat het geraakt willen worden tot de essentie van het evangelie behoort.'  En ook al zijn je feitelijke mogelijkheden maar beperkt, precies in dit geraakt willen worden, ligt - zo concludeer ik uit deze inspirerende ontmoeting met Leuny de Kam - de kracht van een minderheid.