woensdag 27 februari 2013

Nabij aan mensen

Bezoek aan de Regenboogkerk in Gent

Na afloop van de viering zoeken veel kerkgangers een plaatsje aan de tafels, opgesteld in de zijbeuken van de Regenboogkerk aan de Forelstraat. Ze schuiven aan voor een gratis maaltijd. Het is duidelijk, dat deze voedzame Gentse 'hutsepot' wordt gebruikt door mensen die dat nodig hebben. Ik zit naast Anthony, afkomstig uit Ghana, die al tien jaar in Gent verblijft - zonder familie. Ik schat in, dat er ook Gentenaars aan tafel zitten die zonder vaste woon- of verblijfplaats zijn. Maar ook autochtone gezinnen en mensen uit Afrika en uit de Filipijnen. Het is een bont gezelschap, dat een afspiegeling vormt van de wijk Heirnis (oostelijk van de historische stadskern), waarin de Regenboogkerk is gelegen. Van de 250.000 inwoners van Gent zijn er -  volgens gegevens van de stedelijke afdeling Data-analyse - zo'n 12% van niet-Belgische afkomst, maar in Heirnis ligt de concentratie duidelijk hoger dan dit percentage.

Spilfiguur in deze gemeenschap is pastoor Marcel De Meyer, met wie ik graag een gesprek had willen hebben. Vanwege het onverwachte bezoek van een Congolese priester laat hij echter het interview over aan Arnold De Vijlder, voorzitter van de Parochieploeg. Maar dat kan pas na afloop van de viering en de maaltijd. Tijdens deze solidariteitsmaaltijd gaat een collectebus rond voor Broederlijk Delen (het equivalent van de Nederlandse Vastenaktie). En iedere, echt iedere tafelgast draagt - naar vermogen - bij.

Pastoor Marcel De Meyer

Brok in de keel

De bevolkingssamenstelling van de wijk weerspiegelt zich in de multiculturele viering, waarin naast pastoor Marcel ook een Afrikaanse en een Filipijnse priester voorgaan. De gebeden en de lezingen zijn afwisselend in het Nederlands, het Frans en het Engels. De viering wordt muzikaal opgeluisterd door het Filipijnse gemengd koor Pag-ibig (Liefde) en het Afrikaanse vrouwenkoor Coeur Immaculé de Marie. Tijdens de viering is er middels een videopresentatie aandacht voor de campagne van Broederlijk Delen, die zich richt op ondersteuning van de bevolking in Noord-Oeganda. En alsof het allemaal niet op kan in deze levensnabije, hartelijke en ontroerende viering, laten Sandra en Sven hun adoptiefdochtertje Mehlit dopen in de Regenbooggemeenschap. Voor mij persoonlijk is het hoogtepunt van dit liturgisch samenzijn het moment waarop Pag-ibig het Onze Vader zingt en alle kerkgangers worden uitgenodigd elkaars hand vast te houden - terwijl ik dit noteer krijg ik opnieuw een brok in mijn keel. Dat is pas gemeenschap!

De maaltijd - verzorgd door de kookploeg van de sociale dienst De Sloep - Onze Thuis - loopt ten einde, maar veel mensen zitten nog gezellig na te tafelen. Het moment is gekomen, waarop Arnold mij meeneemt naar een rustig plekje. In de sacristie worden wij niet gestoord. De godsdienstleraar woont nu zo'n tweeëntwintig jaar in deze wijk en is van meet af aan betrokken bij het parochiegebeuren. Hij weet nog hoe het allemaal begon, toen twee decennia geleden veel Afrikanen hier kerkasiel zochten. 'In die tijd,' vertelt Arnold, 'werd er ruimte gemaakt voor Afrikaanse missen, naast de gewone parochievieringen. Er werden twee tamtams aangeschaft en een Afrikaanse priester ging voor. Na het vertrek van de Afrikaanse priester heeft pastoor Marcel het initiatief voortgezet. Gaandeweg hebben de multiculturele kerkdiensten de gewone parochievieringen vervangen. Niet iedereen was daarvan gecharmeerd. De wijziging heeft ons vele nieuwe kerkgangers gebracht, maar andere doen verliezen. Pastoor Marcel heeft zelfs nog met opstappen moeten dreigen om gedaan te krijgen, dat we in onze parochiegemeenschap ruimte zouden maken voor de vreemdelingen in ons midden. Zo is dan de Regenboogkerk gegroeid tot wat ze nu is: een multiculturele, laagdrempelige kerk, die nabij is aan mensen, vooral aan hen die maatschappelijk in een zwakkere positie staan.'

Terug naar de catacombenkerk

De wijk werd twintig jaar geleden voornamelijk bewoond door oudere mensen. 'Nu wonen er,' zegt Arnold, 'voornamelijk jonge gezinnen, maar daaronder zijn nauwelijks kerkgangers. Degenen die naar deze kerk komen zijn Filipijnse en Afrikaanse mensen, en sympathisanten elders uit de stad.' Ik vraag Arnold naar zijn visie op de maatschappelijk marginale positie van de kerk. Hij beaamt die waarneming: 'We gaan terug naar de catacombenkerk, een kerk die in het verborgene moet zien te overleven. Maar dan niet omwille van het overleven, maar omwille van de boodschap van het evangelie. Uw opmerking in de toegestuurde vraagstelling vond ik interessant, dat ook de parochies zich als een instituutje gedragen wanneer ze alles proberen te handhaven wat ooit tot hun takenpakket hoorde. Maar dat is in de huidige omstandigheden niet meer mogelijk! Er zijn bestuurders van parochies, die de kerk liever zien afgebroken worden, dan dat ze de moed hebben om iets nieuws te beginnen. We moeten ook niet alles zelf willen organiseren - daar hebben we gewoon de mensen niet meer voor - , we moeten aansluiting zoeken bij goede initiatieven van anderen.'

Arnold De Vijlder
Arnold vertelt dat zijn vrouw Ria (ten tijde van het gesprek helaas door de griep geveld) als parochieassistente verbonden is aan het dekenaat Gent. Vanuit haar functie heeft ze geprobeerd om in het samenspel met de - veelal oudere - priesters tot een zekere vernieuwing van de pastoraal te komen. Arnold en Ria vinden het belangrijk om ook 'het andere geluid' te laten klinken in de kerk. 'Het gaat vooral om de praktische solidariteit,' verduidelijkt Arnold. 'De sociale dienst, die vandaag mede zorg draagt voor de solidariteitsmaaltijd, is een initiatief dat gegroeid is vanuit de kerken. En diezelfde sociale dienst neemt ook haar verantwoordelijkheid, wanneer pastoor Marcel een uitvaart verzorgt zonder dat hij daar - gezien de omstandigheden - kosten voor in rekening kan brengen. We hebben goede banden met De Sloep - Onze Thuis.'

Spirituele verbondenheid

Al vanaf het begin van het gesprek ligt er een mapje gereed, dat Arnold heeft meegebracht. Als ik hem vraag naar zijn mening over op de wijze waarop mensen in onze geïndividualiseerde samenleving op fragmentarische manier zoeken naar verbondenheid, ziet hij zijn kans schoon om te vertellen over het Machariusproject. 'De spirituele verbondenheid met anderen,' meent Arnold, 'zoeken mensen eerder buiten dan binnen de kerk. Maar op cultureel en artistiek terrein hebben we als kerk nog wel een slag te winnen. Daar speelt het project rond zingeving in de Machariuskerk, een kwartier lopen vanaf de Regenboogkerk, op in. Het project - Arnold citeert uit het documentatiemapje - is een uitnodiging aan kunstenaars om beelden en vormen te zoeken voor zin en zinvolheid en ook aan al wie op zoek is om dat zoeken met ons te vertalen in een warme, menselijke ruimte.' Het project - opgestart in 2004 - beoogt een stilteplek te zijn voor de zoekende stadsmens, een plek van schoonheid die genezing brengt, een oefenplaats voor het religieuze zoeken en een thuis voor christenen waar traditie en toekomst van het christendom een plaats vinden. De activiteiten van het Machariusproject roept associaties op met het Thomasprofiel in Oosterhout. Het is voor mij evident dat Arnold, uit zichzelf al een gedreven mens, veel enthousiasme uitstraalt voor de doelstellingen van Macharius, waarmee de mensen van Gent geïnspireerd kunnen raken.

In het uitgaan van de kerk krijg ik de kans om toch enkele woorden te wisselen met pastoor Marcel. Ik spreek mijn respect uit voor de laagdrempelige liturgie, waarin Marcel uitstraal dat hij heel nabij aan mensen durft te zijn. 'Dat heb ik van mijn grootmoeder meegekregen,' zegt hij. 'Zij was van eenvoudige komaf en heeft in haar leven de armoede flink moeten verduren. Toen ik priester werd heeft zij mij voorgehouden: vergeet uw afkomst niet. Voor die wijze raad ben ik haar nog steeds dankbaar.' In alles wat ik heb gezien en ervaren in de Regenboogkerk komt dit advies van Marcel's grootmoeder op sprankelende wijze tot uitdrukking.