dinsdag 12 maart 2013

Ordenen - geloof en kerk in de marge

Het beschrijven en analyseren van gemeenten en parochies in hun verschillende levensstadia levert een boeiende verkenning en een breed scala aan inzichten op. Deze benadering van kerkgemeenschappen in hun levenscyclus begint bij 'kerkplanting', en loopt via 'groei', 'continuïteit', 'revitalisering' tot en met 'kerksluiting', met daarnaast ook aandacht voor 'fluïde vormen van kerk-zijn'. R. Brouwer, K. de Groot, H. de Roest, E. Sengers en S. Stoppels hebben deze studie uitgebracht onder de titel Levend lichaam. Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland (2011, 2e druk). In een inleidend hoofdstuk geven de schrijvers aan, dat zij in hun analyse bepaalde spanningsvelden willen meenemen, 'die mede opkomen vanuit onze theologische duiding van de werkelijkheid. Daarbij gaat het onder andere om vragen als: Welke spanningen zijn gegeven met een eenzijdige fixatie op groei en vitaliteit? ... Hoort een zwakke gestalte van de kerk, in de marge van de samenleving, niet méér bij haar identiteit in relatie tot de Gekruisigde, dan een glorieuze en machtige positie in het centrum?'(16)

Het is precies deze zwakke gestalte, in de marge van de samenleving, die de identiteit van de kerk in essentie bepaalt. Wie of wat de kerk is, kan - afgaande op haar oorsprong - eigenlijk alleen worden afgemeten aan een authentieke representatie van de Gekruisigde. Idealiter vertegenwoordigt de kerk degene die bereid was in de totale mislukking vast te houden aan zijn vertrouwen op God. In de dood als de absolute ondergang heeft God dit vertrouwen niet beschaamd.

E. Borgman voegt aan deze identiteitsbepaling nog het aspect toe van een beperkte waarheidsclaim: 'Precies de christelijke overtuiging dat in Jezus' overgave aan deze goddeloosheid [= de godsverlatenheid van het kruis - WH] en in zijn bereidheid eraan te gronde te gaan, zichtbaar werd hoe God is, maakt het onmogelijk te claimen dat christenen en hun kerk als erfgenamen van Jezus alle waarheid in bezit zouden hebben.' (Metamorfosen, 234) 'Jezus belichaamt een waarheid die geen bezit kan zijn, maar een ruimte die steeds opnieuw wordt ontvangen op plaatsen waar dat het minst te verwachten is [curs. WH].' (235) Door deze ruimte en door de vertrouwvolle ontvankelijkheid, waarvan Jezus de personificatie is, ontstaat een gerichtheid op het onverwachte en daarmee op wat nog te gebeuren staat. Precies deze gerichtheid maakt het mogelijk om juist in de marge de kansen te ontdekken, die wij in de hedendaagse cultuur - sterk bepaald door doelmatigheid en evidence based rationaliteit - nauwelijks nog lijken te vermoeden.

Concreet

Als deze inleidende beschouwingen het theoretische kader vormen van de vraag naar kansen voor geloof en kerk in de marge, waar zijn die kansen dan concreet aan te wijzen in de gesprekken die ik heb gevoerd, in de bezoeken die ik heb afgelegd, in de boeken die ik heb gelezen?

In mijn gesprek met Aarnoud van der Deijl heeft deze gewezen op 'een laagdrempelig aanbod voor kinderen onder de naam Praatpaal. We willen de mogelijkheid bieden om verlieservaringen te verwerken: met verhalen, spelvormen, eenvoudige tekeningen maken. Enkele moeders, die voor het overige buiten “de kerk” staan, haken daar spontaan op in. We hebben geen enkele bedoeling tot evangelisatie, maar het gaat puur om het aanbieden van pastoraat in de vorm van rouwverwerking. En dan zie je dus, dat je soms andere, onvermoede kansen kunt benutten om iets van de evangelische boodschap present te stellen: niet pretentieus, maar wel heel essentieel.'

In de ontmoeting met de Brongroep is duidelijk geworden, dat de leden - ieder op haar persoonlijke manier - zoeken naar een wijze om in de eigen kracht te kunnen staan. De term 'marginaal' lijkt bij sommigen wat negatieve associaties op te roepen. 'Het is meer,' zegt Miep, 'dat we min of meer parallel lopen aan de "hoofdstroom" van geloof en kerk. Er is duidelijk een bepaalde mate van verwantschap, maar wij zoeken op onze eigen manier naar contact met wat groter is dan onszelf.' Lous sluit daarop aan: 'Daarom is voor mij ook de vrijheid in het denken over geloof zo belangrijk. Alleen als je die vrijheid neemt, kun je zoeken naar wat voor jezelf tot de essentie behoort.' Voor de meeste leden van de Brongroep geldt, dat men zichzelf weliswaar verbonden ziet met de christelijke spirituele traditie (zij het ook voor ieder op een andere mate en wijze), maar dat er wel ruimte nodig is om daar een eigen invulling aan te geven. Met het principieel vasthouden aan de eigen ruimte houdt men de mogelijkheid open om een positie in de zijlijn in te nemen, die het mogelijk maakt om los te komen van oude (kerkelijke) structuren en gebruiken.

De kern van de evangelische opdracht

Een andere, aanvullende zienswijze op de marginale positie van geloof en kerk kom ik tegen bij Harry van Waveren. Hij benadrukt, 'dat misschien wel de positie van geloof en kerk marginaal geworden is, maar niet wat je als kerk wil doen. Daadwerkelijk dienstbetoon hoort immers tot de kern van de evangelische opdracht.' Het inzetten op de diaconie raakt volgens hem meer de kern van het evangelie dan de leerstellige juistheid van de kerkelijke uitspraken. 'Je moet dus ervan uitgaan, dat het volharden in een dogmatische opvatting - hoe essentieel misschien ook - ertoe kan leiden, dat je kansen om aansluiting te vinden bij de hedendaagse mens kleiner worden.' De kerk zou daarom niet zozeer een dogmatisch, maar eerder een profetisch standpunt moeten innemen, wil de positie in de marge tot betere mogelijkheden leiden voor geloof en kerk.

Ad van Loveren constateert: 'Ik neem waar, dat de "kerk in het groot" zichzelf niet beschouwt als marginaal, want ze vindt dat ze wel wat te zeggen heeft vanuit de lange traditie waarin ze staat. Maar omdat ze geen echt antwoord geeft op de actuele vragen van mensen, bevindt ze zich feitelijk wel in de marge van de huidige cultuur. Daarnaast zie ik op het niveau van de parochie ("kerk in het klein"), dat het krimpscenario wel degelijk tot nieuwe kansen kan leiden - mits je bereid bent om radicale keuzes te maken.' Hieraan voegt Ad nog een belangrijk inzicht toe: 'De kansen vanuit de marginaliteit zullen alleen effect sorteren als je aan enkele voorwaarden voldoet. Zo moet je allereerst ervan uitgaan, dat er weliswaar een krimp zichtbaar is in aantallen, maar niet in het geloven van mensen. En een andere belangrijke voorwaarde is, dat je over geloven communiceert in de principiële keuze voor een dialoog. Mijn aanvoelen is, dat de kerk de aansluiting mist als ze mensen wil opleggen, wat en hoe ze moeten geloven.'

Van mijn bezoek aan de Doopsgezinde Gemeente Walcheren heb ik meegenomen, dat juist in de marginale positie het verlangen om iets voor anderen te willen betekenen wellicht sterker aanwezig is dan in 'het centrum'. Iemand anders wijst erop, dat in de marge 'de menselijke maat' meer tot zijn recht kan komen: kleine gemeenschappen zijn immers overzichtelijker. Verder wordt naar voren gebracht, dat je in de marge minder gemakkelijk in 'de valkuil van de macht' terecht komt. Je hebt niet zoveel te verdedigen, en daardoor heb je ook niets hoog te houden. Je bent, zo zegt weer een ander, makkelijker in staat om het voortouw te nemen of om als bruggenbouwer te fungeren. Tenslotte wordt ingebracht, dat - wanneer een kleinere groep zich maatschappelijk gezien meer in de zijlijn bevindt - er een sterkere drive is om als groep staande te blijven, en er dus ook een sterkere motivatie is om iets voor de directe omgeving te willen betekenen. Als ik later in diezelfde week in gesprek ben met Leuny de Kam, dan wijst ze op de (kerkelijke en maatschappelijke) minderheidspositie van de doopsgezinden. 'Die positie hebben we,' zegt ze, 'altijd al ingenomen. Maar we laten ons daardoor niet ontmoedigen. Wat we doen, doen we omdat we het zelf belangrijk vinden, ongeacht of we met veel of weinigen zijn. En ook als de nieuwe generatie het niet overneemt, dan nog houden wij vast aan de betekenis van onze geloofsovertuiging voor onszelf.'

In de zijlijn

Uit het verhaal van abt Bernardus heb ik geconcludeerd, dat ook het klooster - net als vele parochies - zich in de huidige samenleving in een marginale positie bevindt. 'Maar ook in kerkelijk opzicht,' nuanceert de abt, 'hebben wij die plek in de zijlijn. Want als kloostergemeenschap zijn we bij het overgrote deel van de parochies niet in beeld. Uit die hoek zijn dus ook geen nieuwe aanmeldingen te verwachten.' Anderzijds wijst abt Bernardus erop, dat de samenleving in de directe en de wijdere omgeving hecht aan de aanwezigheid van het klooster. Het klooster mag dan een plek in de marge hebben, het is wel een uitgespaarde plek, waar misschien vooral die waarden in beeld komen, die in de hedendaagse cultuur niet of nauwelijks belangrijk worden gevonden.

Bij mijn bezoek aan de Jonabeweging maak ik kennis met een kleine gemeenschap, die zich zowel maatschappelijk als kerkelijk in de marge bevindt. 'In zekere zin zitten we in een spagaat,' legt Thomas Holvoet uit. 'Vanuit de samenleving komen er allerlei seculiere verwachtingen op ons af, die van ons verlangen dat wij meegaan met de hoofdstroom. Wij zijn daar niet doof voor, maar vanuit onze joods-christelijke inspiratie willen we ook een tegengeluid laten horen. Solidaire verbondenheid is voor ons belangrijker dan zo hoog mogelijk terecht komen op de maatschappelijke ladder. Anderzijds zitten we ook kerkelijk in de zijlijn, want we willen als basisbeweging niet meegaan in de terugtrekkende, restauratieve ontwikkeling, die de officiële kerk van vandaag maakt. ... Als Jonagemeenschap kiezen we voor een - niet eenvoudige, maar wel bewuste - plaats in deze spagaat. We willen een onafhankelijke beweging zijn, maar wel in solidaire verbondenheid met zowel de kerk als de samenleving, waarvan wij deel uitmaken.'

Een geheel eigen geluid beluister ik in mijn gesprek met Arnold De Vijlder, tijdens mijn bezoek aan de Regenboogkerk in Gent. Gevraagd naar zijn visie op de maatschappelijk marginale positie van de kerk antwoordt hij: 'We gaan terug naar de catacombenkerk, een kerk die in het verborgene moet zien te overleven. Maar dan niet omwille van het overleven, maar omwille van de boodschap van het evangelie. Uw opmerking in de toegestuurde vraagstelling vond ik interessant, dat ook de parochies zich als een instituutje gedragen wanneer ze alles proberen te handhaven wat ooit tot hun takenpakket hoorde. Maar dat is in de huidige omstandigheden niet meer mogelijk! Er zijn bestuurders van parochies, die de kerk liever zien afgebroken worden, dan dat ze de moed hebben om iets nieuws te beginnen. We moeten ook niet alles zelf willen organiseren - daar hebben we gewoon de mensen niet meer voor - , we moeten aansluiting zoeken bij goede initiatieven van anderen.'

In het gesprek met de mensen van de Ekklesia in Breda, als ik vraag naar de marginale positie van kerk en geloof in de hedendaagse samenleving, geeft Wim Goijaarts aan: 'De Ekklesia is juist vanuit de marge ontstaan en gegroeid. Het zijn met name de mensen die de moed hebben om hun eigen weg van geloof te zoeken in de hedendaagse cultuur, die hier bijeen komen. En in dat zoeken is iedereen welkom, ongeacht kerkelijke herkomst, seksuele voorkeur of politieke overtuiging.' Geconstateerd kan worden, dat de mensen van de Ekklesia zelf de marge van het officiële kerkelijke (katholieke) landschap opzoeken. Het is daarom, dat zij met elkaar wel een bezield verband willen vormen, maar uitdrukkelijk geen 'georganiseerd kerkgenootschapje'.

Aanvullingen van uit de literatuur

Aan deze praktijkverhalen kunnen nog enkele aanvullingen worden toegevoegd vanuit de literatuur. Bijvoorbeeld de hartenkreet, die H. de Roest onder woorden brengt in zijn Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten (2011, 2e druk): 'Mijn hoop is, dat in de marge van onze samenleving kernen van christelijke geloofsgemeenschappen zullen blijven. Sociologisch gezien is de kerk terechtgekomen in de marge. De kerk zal haar zelfbewustzijn daaraan moeten aanpassen. De marge, de "kantlijn" biedt echter ook nieuwe ruimte. Voor commentaar op politiek en samenleving, maar ook voor creativiteit en samenwerking met anderen.'(25)

In zijn Een houtskoolvuur met vis erop en brood. Visietekst van en voor het bisdom Antwerpen (2012) stelt bisschop Johan Bonny vast: 'Van een brede volkskerk zijn we een kleine keuzekerk geworden. ... Hoe kunnen christenen vandaag levende gemeenschappen vormen en een meerwaarde betekenen voor de samenleving? We kunnen en moeten niet meer alles doen wat we vroeger deden. Toch willen wij op een geloofwaardige manier van Jezus Christus en het Evangelie blijven getuigen.'(6)

Tenslotte wijst K. de Groot in Levend lichaam op een fluïde vorm van kerk-zijn, namelijk in het kader van de reli-cultuur. Daarvan is sprake 'wanneer mensen rond activiteiten binnen het religieuze veld, maar buiten parochies, gemeenten en religieuze ordes, de ervaring opdoen dat ze met God en elkaar verbonden zijn en zo religieuze gemeenschap vormen. Dit is het fenomeen waarvoor Pete Ward het begrip liquid church heeft geïntroduceerd. Houd op met je te concentreren op het instituut, zegt hij, en zie dat kerk-zijn uitwaaiert naar onverwachte plaatsen. In dit spoor kan gedacht worden aan uiteenlopende verschijnselen. Small christian communities bijvoorbeeld ... ; religieuze manifestaties zoals de EO-jongerendag; introductiecursussen in het christelijk geloof ... (bijvoorbeeld Alpha-cursussen); de Vrouw en Geloofbeweging; spiritualiteitscentra; en allerlei vormen van zogenaamd jongerenpastoraat.'(242)

Wat opvalt

Als ik het bovenstaande probeer te overzien, dan zijn er enkele zaken, die opvallen. Allereerst is er de theologische plaatsbepaling van de kerk in de marge van cultuur en samenleving - juist vanwege haar paradoxale geloof in de vernedering van het kruis als een onverwachte ruimte, waar zich nieuwe kansen en nieuwe kracht kunnen voordoen. Deze plaatsbepaling lijkt eerder verbonden te zijn met het profetische spreken van de bijbel dan met het dogmatische spreken van het kerkelijke leergezag.

Vervolgens is er sprake van de uitdrukkelijke wil om de evangelische boodschap te representeren in de hedendaagse samenleving: niet pretentieus, maar wel heel essentieel. Wil dit gerealiseerd kunnen worden, dan is niet alleen een bijbels geïnspireerde moed, maar ook een flinke dosis creativiteit nodig om iets nieuws te willen beginnen (Van der Deijl, De Vijlder, abt Bernardus, De Roest, bisschop Bonny). In dit kader is het ook van belang te wijzen op de wens om met de christelijke traditie verbonden te blijven, maar dat daarbij wel expliciet ruimte wordt genomen om een eigen, hedendaagse invulling aan die verbondenheid te geven (Brongroep, Jona-gemeenschap, abt Bernardus).

Ook is in de opgetekende verhalen de noodzaak aanwijsbaar om als kerk te focussen op het profetische spreken in combinatie met het diaconale handelen (Van Waveren, Regenboogkerk, De Roest). In het kort: doe wat je zegt en zeg wat je doet. Voer dus ook geen verborgen agenda. Daarmee ben je ook in staat om de valkuilen van de macht te vermijden (Doopsgezinde Gemeente). En houd daarbij vast aan de uitgelezen kans om juist in de marge van de samenleving - als klooster, maar ook als parochie of gemeente - een uitgespaarde plek te kunnen zijn, waar vooral die waarden in beeld komen, die in de hedendaagse cultuur niet of nauwelijks belangrijk worden gevonden (abt Bernardus).

In dat verband zijn twee voorwaarden van belang. Ten eerste: de bereidheid om radicale keuzes te maken (Van Loveren) of - anders gezegd - om gangbare schema's los te laten (abt Bernardus). Dit alles met het oog op de mogelijkheid om open te staan naar een nieuwe toekomst. Verkrampt vasthouden aan het verleden keert je met de rug naar de toekomst. Of in de beeldspraak van Jezus van Nazaret: 'Wie de hand aan de ploeg slaat en dan nog eens omkijkt, deugt niet voor het koninkrijk van God.' (Lc 9,62) En ten tweede: de principiële keuze voor de dialoog (Van Loveren, Jona-gemeenschap), want, aldus Ad van Loveren, 'de kerk mist de aansluiting als ze mensen wil opleggen, wat en hoe ze moeten geloven.' Niet in de monoloog van het leerstellige kerkelijke spreken over mensen, maar in de dialoog met mensen, in hoor en wederhoor, raken zij betrokken bij de evangelisch geïnspireerde waarden van het koninkrijk Gods.

Een ander aspect, dat in de verhalen en in de literatuur naar voren komt, is dat er wordt gekozen voor de focus op inspiratie, veel minder op organisatie (Ekklesia, Doopsgezinde Gemeente, Brongroep, de Groot). Het zoeken naar - en deels ook het organiseren van - een bezield verband genereert ontegenzeglijk een bepaald elan, dat verloren dreigt te gaan als teveel nadruk wordt gelegd op de organisatorische of de institutionele kant van de (kleine) geloofsgemeenschap. Tegelijkertijd is er ook een minimum aan organisatie nodig om het teweeggebrachte enthousiasme en de behoefte aan inspiratie te ordenen binnen een zeker kader.

Geen aanleiding tot doemdenken

Tenslotte is een van de meest opvallende elementen in de het verzamelde materiaal, dat de gewijzigde positie van geloof en kerk voor vrijwel alle geïnterviewden geen aanleiding is tot doemdenken of moedeloosheid. Natuurlijk, een zekere mate van bezorgdheid is te proeven in de meeste verhalen, al is die bezorgdheid misschien vooral gericht op de dogmatische en de bovenmatig institutionele aspecten van het kerk-zijn. In het algemeen echter voert de positieve instelling de boventoon. Op de meest geprononceerde wijze wordt deze opvatting geformuleerd door Leuny de Kam: 'De minderheidspositie hebben we altijd al ingenomen. Maar we laten ons daardoor niet ontmoedigen. Wat we doen, doen we omdat we het zelf belangrijk vinden, ongeacht of we met veel of weinigen zijn. En ook als de nieuwe generatie het niet overneemt, dan nog houden wij vast aan de betekenis van onze geloofsovertuiging voor onszelf.' Misschien is het uitstralen van deze positieve, optimistische houding wel een grotere bijdrage aan de wervingskracht van geloof en kerk dan het zorgelijke klagen over kerkbanken die alsmaar leger raken.

Ik sluit af met een vraag, die ondanks alle optimisme toch niet onvermeld mag blijven. Het beeld, dat uit het verzamelde gegevens naar voren komt, is dat het bewust kiezen voor de plaats van geloof en kerk in de marge van cultuur en samenleving vaak is gebaseerd op het enthousiasme van enkele geïnspireerde voortrekkers. Dat enthousiasme mag beschouwd worden als de kracht van deze bewuste positiebepaling, maar tegelijk vormt het ook de zwakte van het kiezen voor deze plek. Want als het enthousiasme of de voortrekker verdwijnt, dan is het gevaar van afkalving niet ondenkbaar. Of moeten we ook in dit opzicht de paradox van het christelijke geloof maar zijn uitwerking laten hebben: dat namelijk precies in die kwetsbaarheid ook de kracht is gelegen? En dat God aan die kwetsbare positie zijn zegen verleent?