woensdag 6 februari 2013

Aanscherpen

Is dit herkenbaar? Dat je zelf zo betrokken bent op je eigen werk, waardoor je het overzicht niet altijd voor ogen hebt? Daarom is het goed, dat ik voor mijn studieverlof in dr Jules Jansen - stafmedewerker kerkontwikkeling bij de Pastorale Dienstverlening van het bisdom Breda - een competente begeleider heb gevonden, die kritisch over mijn schouder meekijkt. De gesprekken met hem, waarvan ook het eerdere bericht over De waarde van het weerloze het resultaat was, helpen mij om niet alleen mijn onderzoeksvragen, maar - in dit geval - ook mijn terminologie aan te scherpen.

In dit kader is het van belang om het verschijnsel krimp, het ene uitgangspunt waar mijn belangstelling in deze maanden naar uitgaat, nader te omschrijven. In samenhang daarmee dient ook - zo heb ik tijdens enkele gesprekken geconstateerd - de notie van 'marginaliteit' nauwkeuriger geformuleerd te worden. Ook het andere uitgangspunt van het onderzoek, de kansen die de krimp kan opleveren, wil ik hieronder meer nauwgezet verhelderen.

Krimp in de kerk

Bij het gegeven van de krimp in de huidige situatie van de kerken denk ik om te beginnen aan de aantallen. Er is sprake van minder kerkgangers, teruglopende financiële middelen, een afnemend aantal vrijwilligers, reductie van het bestand aan beroepskrachten. Hoewel nog 35% van de Nederlandse bevolking behoort tot een kerkgenootschap (Kerncijfers Kerkbalans 2013) vormt deze groep in onze samenleving een relatieve minderheid. Daarnaast is er ook een afname te constateren in de affiniteit, de subjectieve betrokkenheid, die veel mensen voelen bij de kerk als gemeenschap, als organisatie of als instituut. Zo is er minder behoefte aan kerkelijke rituelen bij geboorte, huwelijk of overlijden, maar ook is er minder belangstelling voor het aanbod aan catechetische of spirituele vorming dat door de kerken wordt gepresenteerd. Verder kan worden vastgesteld, dat er ook sprake is van minder kennis over de inhoud van het christelijke geloof, over bijbelverhalen, over de wijze waarop de kerkelijke organisatie is gestructureerd. Voor veel mensen is de kerk een gegeven, dat voor de vormgeving van hun eigen leven ver van hen af staat; en dat betekent voor beroepskrachten, vrijwilligers en kerkgangers, dat ze vaak meer uitleg moeten geven (ook inhoudelijk) over de betekenis van hun kerkelijke betrokkenheid. En tenslotte is er een andere belangstelling ontstaan op het vlak van spiritualiteit/mystiek. Daardoor moet de christelijke spiritualiteit, die toch lang het alleenrecht had in het Avondland, nu concurreren met andere manieren waarop mensen hun geestelijke voeding zoeken. Het is in dit verband niet nauwkeurig vast te stellen of er ook in het algemeen sprake is van een verminderde belangstelling voor spiritualiteit (soms lijkt het tegendeel het geval te zijn), wel dat de richting van die belangstelling is gewijzigd.

Als het dus gaat over 'krimp', dan is daarbij een objectieve en een subjectieve factor in het spel. De objectieve krimp is waarneembaar is de teruglopende aantallen en in de verminderde feitelijke kennis omtrent geloof en kerk. De subjectieve krimp is zichtbaar in de afname van de betrokkenheid/affiniteit bij kerk en in de gewijzigde oriëntatie op spiritualiteit. Beide vormen van krimp hangen onderling weliswaar samen, maar voor de terminologische helderheid is het goed ze te onderscheiden.

Kerk in de marge

Het voorgaande geeft aan, dat de kerken steeds meer terecht komen in de zijlijn van de hedendaagse samenleving en van de huidige cultuur. Zowel de objectieve als de subjectieve krimp spelen daarin een rol. Toch zijn er verschillende manieren om deze marginale positie verstaan en te beoordelen. Deze beoordeling hangt af van welk standpunt je zelf inneemt.

In het gesprek met de Brongroep werd de uitdrukking 'in de marge' opgevat als een aanduiding voor mensen die in onze samenleving (economisch of sociaal) buiten de boot vallen. Met die aanduiding kunnen en willen de leden van de Brongroep zich niet identificeren. Wel dat men zichzelf een positie toedenkt 'parallel aan de hoofdstroom van geloof en kerk' - dus verwant aan, maar niet samenvallend met wat in het centrum van de kerken wordt beleden. De gedachtewisseling met Harry van Waveren levert de terechte constatering op, 'dat misschien wel de positie van geloof en kerk marginaal geworden is, maar niet wat je als kerk wil doen. Daadwerkelijk dienstbetoon hoort immers tot de kern van de evangelische opdracht.' De maatschappelijke plaats in de zijlijn en de evangelische corebusiness hoeven elkaar dus niet uit te sluiten. Daarnaast stelt Harry vast, dat de kerk zichzelf in de huidige cultuur manoeuvreert in een marginale positie, wanneer ze het dogmatische spreken laat prevaleren boven het profetische spreken. Maatschappelijk dienstbetoon en een profetische opstelling van en door de kerken - misschien wel juist vanuit de zijlijn - zijn dus mogelijke ingangen, waardoor de kerken een bijdrage kunnen, zelfs moeten leveren aan de hedendaagse samenleving. Vanuit een enigszins andere invalshoek komt Ad van Loveren tot een overeenkomstige waarneming. De institutionele kerk ziet zichzelf 'niet als marginaal, want ze vindt dat ze wel wat te zeggen heeft vanuit de lange traditie waarin ze staat. Maar omdat ze geen echt antwoord geeft op de actuele vragen van mensen, bevindt ze zich feitelijk wel in de marge van de huidige cultuur. ... Mijn aanvoelen is, dat de kerk de aansluiting mist als ze mensen wil opleggen, wat en hoe ze moeten geloven.' Het dogmatische spreken van de kerk als instituut kan op lokaal niveau echter een andere invulling krijgen - 'mits je bereid bent om radicale keuzes te maken' - als je ervan uitgaat 'dat er weliswaar een krimp zichtbaar is in aantallen, maar niet in het geloven van mensen. Dat zoekend geloven is misschien niet zo helder omlijnd, maar ik zie het bijvoorbeeld wel tastbaar aanwezig in een grote betrokkenheid.' Ook in de opvatting van Ad moet dus het dogmatische karakter van het institutionele kerkelijke optreden worden losgelaten ten gunste van het beantwoorden van de actuele, werkelijke vragen van mensen. 

Als ik nu - uitgaande van bovenstaande uitspraken - een omschrijving zou willen geven van wat ik zelf versta onder 'kerk in de marge', dan doe ik dat in een poging om tot een bepaalde definitie te komen. Daarbij besef ik dat definities de suggestie wekken een allesomvattende beschrijving te zijn, terwijl de beschreven werkelijkheid vaak complexer en meer omvattend is. Desondanks een poging.

Kerk in de marge heeft voor mij de betekenis van een door hun geloof in Jezus de Messias samengeroepen gemeenschap (soms ad hoc, som meer permanent), die zich laat inspireren door de evangelische kernboodschap van onvermoede levenskansen waar menselijke wegen lijken dood te lopen. Het is een gemeenschap die op basis van deze inspiratie wil opkomen voor gerechtigheid en vrede, een gemeenschap ook die zich wil laten raken door de noden van mensen van vandaag en die zich niet verschanst achter dogmatische structuren; dit alles in het vertrouwen dat de uiteindelijke voltooiing van dit tastend zoeken naar levenskansen niet in menselijke handen ligt, maar toekomt aan God.

Kansen

In de bovenstaande omschrijving wordt het centrale element gevormd door de evangelische kernboodschap: de onvermoede kansen waar menselijke inspanningen op niets lijken uit te lopen. Dat vraagt wel een bepaald soort lef. Je moet het durven wagen om niet alle kaarten te zetten op je eigen inzet, maar ook (misschien wel meer) om te vertrouwen op de goddelijke genade. Het vraagt daarom niet alleen lef, maar ook om openheid en om het durven los laten van wat vertrouwd is.

In die zin wil ik in dit studieproject zoeken naar kansen (voor een hedendaagse geloofsbeleving en kerkontwikkeling) in de zin van alternatieven voor wat gangbaar is in het kerkelijke structurele aanbod. Niet om het gangbare aanbod te vervangen, maar als wellicht een veelbelovende aanvulling. En als die kansen tot reële resultaten lijken te leiden, dan gaat het vervolgens om de vraag op welke manier deze alternatieven kunnen worden omgezet in een steviger verankering van de christelijke boodschap in het leven van mensen, die immers in de chaos en de complexiteit van hun bestaan op zoek zijn naar levensduiding. Daarbij moet ook aandacht gegeven worden aan de betekenis voor het hedendaagse kerk-zijn van de verminderde binding van mensen aan instituties (zie: S. Stoppels en E. Sengers, in Levend lichaam. Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland, 191).